Onderwijs: het ‘hoofdpijndossier’ waar meer geld niet altijd beter onderwijs betekent.

Livia Guldie | Eindredacteur

Grote thema’s in politiek en media zijn nu vooral migratie, defensie en bestaanszekerheid.  Onderwijs komt nog wel voorbij, maar vooral in de context van ‘bezuinigingen’. Wat er inhoudelijk speelt, blijft vaak onduidelijk. Waarom wordt er soms zo gehamerd op bezuinigingen, en soms zo op investeringen binnen het onderwijs, en wat gaat er precies mis?

Onderwijs ligt politiek gevoelig en werkt anders dan veel andere sectoren. Investeringen of bezuinigingen lijken op papier zwart-wit, maar voelen in de praktijk vaak heel anders.

Hoeveel investeren we écht in onderwijs?

Wat geven we uit aan onderwijs in Nederland? Nou, best veel: de afgelopen 10 – 15 jaar zijn de onderwijsuitgaven flink gestegen, vooral in het primair en voortgezet onderwijs.

In 2025 krijgt het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap € 55,5 miljard. Daarvan gaat € 49 miljard direct naar scholen en leren. Dat is bijna een tiende van alle geld dat de overheid uitgeeft. (CBS)

De uitgaven per leerling zijn ook toegenomen, vooral na maatschappelijke druk over het lerarentekort, werkdruk en kansenongelijkheid.

Met de komst van het Nationaal Programma Onderwijs (NPO) in coronatijd zijn er nog eens miljarden extra vrijgemaakt (ongeveer €8,5 miljard verdeeld over meerdere jaren). Het NPO werd ingevoerd om de door de coronacrisis opgedane leervertragingen van leerlingen en studenten te verbeteren.


Toch bleven veel investeringen tijdelijk, zoals bij het NPO, waardoor scholen “tijdelijk moesten oplossen wat structureel mis is”.

Miljarden, maar geen verbetering

Hoe gaat het met de kwaliteit?

De belofte van de investeringen in het onderwijs waren vaak dat de ‘kwaliteit van het onderwijs’ zou verbeteren. Maar: de realiteit is teleurstellend. 

  • De leerprestaties dalen zelfs:
  • Internationale toetsen zoals PISA tonen aan dat Nederlandse scholieren steeds slechter scoren op bijvoorbeeld lezen en wiskunde.
  • De leesvaardigheid is zelfs zorgwekkend laag bij 15-jarigen; een aanzienlijk deel haalt het basisniveau niet meer. Nederland zakte zelfs daarmee onder het Europese gemiddelde. Ongeveer een derde van de 15-jarigen haalt zelfs niet het basisniveau geletterdheid.
  • Kansenongelijkheid:
  • Kinderen met evenveel talent krijgen nog te vaak een lager schooladvies vanwege hun achtergrond of het inkomen van hun ouders.
  • Om het verschil in schooladviezen te verkleinen doet het Centraal Planbureau aanbevelingen, zoals een mentorsysteem in het primair onderwijs voor achterstandsleerlingen en hun ouders. Ook zou het helpen om leerkrachten voor te lichten over de mogelijke rol van onbewuste oordelen; maar alsnog ligt dit advies bij de school zelf.
  • Lerarentekort is structureel geworden:
  • Vooral in grote steden en in het speciaal onderwijs is het tekort nog steeds extreem.
  • Om dit op te lossen zetten scholen vaak onbevoegden voor de klas of moeten lesuren schrappen.
  • Werkdruk en burn outs onder leraren blijven hoog, ondanks de investeringen in werkdrukverlichting, blijkt uit recent onderzoek dat 34,8% van de VO-docenten in de grote steden burn-outklachten heeft, iets meer dan docenten buiten de grote steden.
  • In het primair onderwijs werkt zo’n 70% van de leraren parttime. Daardoor zijn er meer mensen nodig om alle lesuren te vullen. De hoge werkdruk is in dit geval dus de oorzaak én het gevolg van het lerarentekort.


Waar gaat het geld dan naartoe? En waarom werkt het niet altijd?

  • Hier zit een harde waarheid: geld is geen garantie voor resultaat als het slecht wordt besteed.
  • Investeren is niet altijd automatisch zinvol, en bezuinigen is dus ook niet per definitie een slecht idee. Het hangt er vanaf wáár het geld naartoe gaat.

De Algemene Rekenkamer waarschuwde al vóór de invoering van het Nationaal Programma Onderwijs (NPO) dat het plan vaag was. Toch werd er voor miljarden euro’s aan NPO-geld uitgekeerd zonder echte verantwoording. Onderzoek van Follow the Money toont aan dat drie jaar later nauwelijks te achterhalen is waar het geld precies naartoe ging. Scholen hadden moeite om het zinvol te besteden – een deel bleef zelfs onbenut – en flink wat ging naar commerciële partijen.

Dit zijn enkele voorbeelden:

  • Scholen mogen veel zelf beslissen, maar dat betekent dat er weinig centrale regie is op resultaat.
  • Er blijft veel geld hangen in bureaucratie, ondersteunende functies of consultancytrajecten (zoals via externe onderwijsadviseurs).
  • Scholen krijgen vaak geld zonder duidelijke richtlijnen en voorwaarden (bijv. NPO-gelden), waardoor de miljoenen die scholen kregen vaak in korte-termijnprojecten verdwenen: coachprogramma’s, workshops – waarvan het nut twijfelachtig is.
  • Sommige scholen investeren flink in ICT, vernieuwing en innovatie, maar vaak zonder duidelijke onderbouwing van de meerwaarde. Jaarlijks gaan hier grote bedragen naartoe, terwijl het effect op leerresultaten lang niet altijd bewezen is.
  • Uit OECD-onderzoek blijkt zelfs dat sommige innovatieve aanpakken, zoals “student-led learning” – waarbij leerlingen grotendeels zelf bepalen wat, hoe en wanneer ze leren – en bepaalde ICT-experimenten, zelfs negatieve gevolgen kunnen hebben voor leerprestaties.
  • Onderwijsraad en Inspectie waarschuwen dat die versnippering – meerdere éénmalige potjes en projecten (bijspijkerprogramma’s, coachtrajecten en ICT-experimenten) – scholen juist moeilijker maakt om de kerntaak uit te voeren.
  • Er zijn ook voorbeelden van wel erg “bijzondere” uitgaven van scholen.. Zo gebruikte een middelbare school NPO-geld voor een concert met optredens van Ronnie Flex en Emma Heesters (totaal €30.000), blijkt uit onderzoek van Follow the Money.
  • Er wordt nog steeds veel geld uitgegeven aan bijles. Volgens Follow the Money en Kamerdebatten is het aantal bijles- en huiswerkbegeleidingsbedrijven van ongeveer 2.000 in 2014 naar bijna 5.000 in 2024 geëxplodeerd. Critici vragen zich af: als bijles vooral toegankelijk is voor wie het kan betalen, is het reguliere onderwijs dan niet meer voldoende voor goede resultaten?
  • Ook gaat er elk jaar ruim € 500 miljoen naar voorschoolse educatie op de kinderopvang, (VVE), maar dat blijkt in de praktijk weinig leerwinst op te leveren.

Er is dus wel degelijk veel geld geïnvesteerd in het onderwijs, maar:

  • Het is vaak incidenteel, niet structureel.
  • Slecht gemonitord: er wordt zelden goed geëvalueerd wat werkt en wat niet.

Maar ook:

  • Hoewel er de laatste jaren miljarden in het onderwijs zijn geïnvesteerd, blijkt dat geld geen garantie is voor betere kwaliteit. Veel middelen waren tijdelijk en versnipperd ingezet, zonder duidelijke focus op structurele verbeteringen

Leraar als sleutel tot kwaliteit?

Waar dan wel in investeren?

  • Investeren in leraren blijkt uit wetenschappelijke onderzoeken een van de meest effectieve manieren om de onderwijskwaliteit echt te verbeteren. Gerichte feedback, coaching en mentorschap verhogen leerprestaties en maken het verschil in de loopbaan van leerlingen, oftewel een hoger rendement: betere lessen en meer behoud van leraren.
  • Via de Nationale Aanpak Professionalisering Leraren (NAPL) uit 2024 gaat hier sinds kort jaarlijks €73 miljoen naartoe; een fractie van de kosten van VVE- en ICT-potjes.
  • Onderwijsexperts en Kamerleden benadrukken ook dat echte impact pas komt als duurzaam wordt geïnvesteerd in goed opgeleide leraren, kleinere klassen en basisvaardigheden. 

Wat vind jíj? Zou de overheid meer controle moeten hebben op onderwijsuitgaven of is het ondenkbaar dat scholen hier niet zelf de regie op zouden hebben?


Bronnen: PWC, AOB.nl, Follow the Money, Centraal Planbureau, Tweede Kamer, OECD, Rijksfinancien. Nationaal Groeifonds.nl, CBS, PO-Raad

Meer van Trias Politica? Volg ons op de socials

Instagram

Meer van Trias Politica? Check onze social mediakanalen!

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *